17. De vurige hel

Uit KORAN EN BIJBEL IN VERHALEN Unieboek marliesterborg@gmail.com Download teksten Bijbel en Koran hieronder
De continuïteit en de ontwikkeling in het concept van de hel in Bijbel en Koran valt op als men de lotgevallen van het woord Gehenna volgt. In 2 Koningen verwijst het naar een bestaand dal, het Hinnomdal, waar heidenen hun kinderen offerden aan Moloch. Uiteraard werd dit gebruik door de Israëlieten afgekeurd. Het idee dat God straft met vuur is wel in het Oude Testament te vinden, maar het verteert niet alleen het (onderaardse) dodenrijk maar ook de aarde.
In de evangeliën krijgt het woord Gehenna een algemene en virtuele betekenis, als de plek waar men na de dood verblijft als men onrechtvaardig geleefd heeft. In het Bijbelboek Openbaring wordt van de 'vuurpoel' gesproken, waarin de zondaars gegooid worden.
Hetzelfde woord, in het Arabisch Djehennem, (in de vertaling van Kramers Gahannam), wordt in de vertaling van Leemhuis de hel; de vurige plaats waar de ongelovigen na de dood verblijven.
De verhalen van de hel in het Nieuwe Testament en de Koran lopen sterk parallel.
Het beeld van de hel is in de Koran veel verder uitgewerkt dan in het Nieuwe Testament, zowel in logische als in poëtische zin. De hel komt in tal van soera's voor. Met allerlei sterke beelden wordt degene die er maar op los leeft duidelijk gemaakt dat hij ooit met zijn daden geconfronteerd zal worden.
Hier duikt in beide boeken de satan of duivel op, die mensen misleidt en hen ten slotte meetrekt het vuur in. In de Koran worden deze boosdoeners veelal aangeduid met de term ongelovige. Het ligt voor de hand dat zij die een ander geloof aanhangen naar de hel verwezen worden. Toch laat de Koran een subtieler beeld zien. Zo zijn de oordelen over Israëlieten en christenen, de mensen van het Boek, niet onverdeeld negatief. Er is voor hen zeker nog hoop, wanneer zij de polytheïstische aspecten van hun geloof van zich afschudden. Men denke hier aan de aanbidding van het gouden kalf (zie hoofdstuk 9), de vergoddelijking van 'Isa (zie hoofdstuk 13) en zijn moeder. Maar als zij aanstichten tot oorlog zullen zij zelf met vuur geconfronteerd worden.
In de Koran moeten ook gelovige moslims het soms ontgelden. Sommige 'gelovigen' pretenderen in Allah te geloven maar zaaien in werkelijkheid verderf op aarde. Deze huichelaars zijn te vergelijken met de schriftgeleerden en Farizeeën, die door Jezus gehekeld worden. Anderzijds hoeven zij die geen kans kregen tot het 'ware geloof' te behoren niet zonder meer veroordeeld te worden. Het verhaal van de 'goede Samaritaan' is hiervan een bekend voorbeeld. In de Koran lijken onderdrukten die niet de goede weg gewezen werd op vergeving te kunnen hopen.
Hiermee is aangegeven dat behalve het godsdienstige aspect het woord 'ongelovige' in de Koran ook een sterk ethisch aspect bevat. Het zijn met name de onrechtplegers die het hellevuur te vrezen hebben. Ook belijdende moslims zullen op hun daden worden afgerekend, en al naar het oordeel van Allah beloond of gestraft worden.
Voor een goed begrip van deze ethische dimensie van het woord ongelovige in de Koran moet men rekening houden met het feit dat de satan de ongelovige bij uitstek is. (zie hoofdstuk 2) Hij loochent niet het bestaan van Allah, - hij praat zelfs met Hem,- maar hij is ongehoorzaam jegens Allah, hij gaat in tegen Zijn gerechtigheid. Satan is de vijand van de mens. ( zie hoofdstuk 2 en 3) Hij verleidt mensen, moslims en niet-moslims, tot gedrag dat hen ten slotte in de hel doet belanden. In het Bijbelboek Openbaring verdwijnen de satan met zijn volgelingen ten slotte voor eeuwig in de vuurpoel. Ook in de Koran worden satan en zijn makkers in de hel, de Djehenem, geworpen.

Zij die zichzelf hebben veroordeeld tot de vurige hel staan bij het Laatste Oordeel (zie hoofdstuk 16) in beide boeken, Bijbel en Koran, ter linkerzijde. Zij zijn zich te buiten gegaan aan verschillende onrechtvaardige of zondige handelingen, zoals moord, wat in beide boeken wordt afgekeurd. (zie hoofdstuk 4) Maar er zijn meerdere manieren om in de hel te belanden. In de Koran heeft de hel zeven poorten.

Deze beelden zijn bedoeld om mensen die denken tijdens hun aardse leven weg te komen met onverantwoordelijk gedrag, tot inkeer te brengen. Zij zullen ooit met hun daden geconfronteerd worden. Het is niet Allah die straft, maar het satanische vuur dat zichzelf tegenkomt.
Voor de ongelovige in deze brede zin lijkt de hel een eeuwigdurende bestraffing te zijn. Maar Allah kan anders beslissen. Het is denkbaar dat mensen een korte tijd in de hel verkeren, om daarna tot de paradijstuinen te worden toegelaten.
In de Koran worden sterke dreigementen van eeuwigdurende bestraffing afgewisseld met een oproep tot inkeer. Wie berouw toont en zijn leven betert, kan rekenen op vergeving. Het thema berouw is in de Koran sterk aanwezig, niet alleen in de soera 9 die 'Berouw' heet maar door het hele boek heen. Ook in het Oude en Nieuwe Testament zijn de noodzaak van berouw en een vergevende God terugkerende thema's